Skip to main content

In de loop der jaren … historie van de tol
Het spel tollen speelt een belangrijke rol in de folklore van ver uit elkaar wonende volken als de Maori’s uit Nieuw-Zeeland en de Inuit uit Noord-Canada en Griekenland. Het wordt zeker al meer dan 2000 jaar gespeeld. Dat weten we omdat het is opgetekend dat Cato, de Romeinse staatsman, het spel heeft aanbevolen aan ouders als ‘een passender tijdverdrijf voor kinderen dan dobbelen’.

Tollen kwamen veel voor in het Europa van de 14e eeuw, in het bijzonder in Engeland, en het schijnt dat men ze bij een vroeg Christelijke kerkceremonie gebruikten. Elke parochie had zijn eigen tol en op Vastenavond, werden tolraces gehouden op de wegen tussen de parochies. Een tol die ophield met draaien, of tot het volgend jaar werd weggelegd noemde men ‘slapend’. Daaraan ontlenen de Engelsen de uitdrukking : ‘to sleep like a top’ .

Het spel was ook erg populair bij de Indianen van Noord- en Zuid-Amerika. Het werd al gespeeld lang voordat de kolonisten daar voet aan wal zetten. In Noord-Amerika was het doorgaans een spelletje dat in de winter werd gespeeld, op het ijs. De Inuit lieten hun tol draaien en probeerden rond het huis te lopen voordat zij gestopt was.

In Afrika werden vaak gleuven in de tol gesneden, zodat ze een zoemend geluid gaven tijdens het draaien. Tollen van verschillende vorm en afmeting worden ook overal in het Midden- en Verre Oosten gevonden. In Japan, bijvoorbeeld, is het maken van tollen een oud ambacht. Deze vaklui zijn beroemd om hun originaliteit. Onder de vele nieuwe tollen die ze bedacht hebben, is ook de ‘tol met kinderen’ – een grote tol, die al draaiende kleine tolletjes loslaat.

Op Nieuw-Guinea en Borneo zijn stammen die tollen nadat ze hun belangrijkste gewassen hebben geplant. Dit ritueel is bedoeld om de jonge plantjes beter te laten groeien. In sommige delen van Australië worden grote essenhouten tollen tegen elkaar in gedraaid in de ‘strijd van de grote tollen’. Tijdens de laatste tien jaar van de 19e eeuw was het spel Zweeptollen erg populair bij schooljongens in Nieuw-Zeeland.

In zijn wetenschappelijk werk: ‘The Folk Games of Children’ beschrijft Brian Sutton-Smith hoe ze met hun tollen soms meer dan twee kilometer langs de landwegen renden naar school. Ze maakten zwepen van draden vlas en een geoefend speler kon zijn tol over een afstand van 15 meter of meer wegslaan. Een van de grote gevaren was de ‘onderslag’ (ruitentikker), waardoor de tol door de lucht vloog en soms door het raam van de buren. Omdat op een tol meestal de naam van de eigenaar stond had het niet veel zin om van de plaats van de misdaad weg te vluchten.

Bron: Stichting Nederlands Museum “Kinderwereld”, Roden

Leave a Reply